banner website

Blaasverwijdering met urineafvoer via urinestoma

wegname blaas met plaatsing urostoma, robotgeassisteerde radicale cystectomie met Bricker-derivatie, robot-assisted laparoscopic radical cystectomy (RARC)
Bij die ingreep onder volledige verdoving neemt de uroloog je blaas weg en zorgt ervoor dat je urine daarna kan afvloeien via een urostoma.

Wat houdt deze ingreep in?

Bij blaaskanker kan je uroloog voorstellen om je blaas weg te nemen. Als je gezondheidstoestand het toelaat, krijg je voor de ingreep een behandeling met chemotherapie en immunotherapie.

De wegname van je blaas gebeurt via een kijkoperatie (laparoscopisch), de uroloog maakt daarbij gebruik van een operatierobot. Die robot is niet computergestuurd en voert ook geen zelfstandige handelingen uit. De uroloog stuurt met een console de robotarmen aan.

Nadat je blaas is weggenomen, moet je urine op een andere manier afgevoerd worden. Daarvoor bestaan verschillende technieken. Je uroloog legt uit voor welke opties jij in aanmerking komt en bespreekt met jou de voor- en nadelen van elke optie. Op deze pagina geven we uitleg over urineafvoer (urinederivatie) via een urinestoma (urostoma). Een andere mogelijkheid is urineafvoer via een vervangblaas (neoblaas). 

Waar gebeurt een blaasverwijdering?

De ingreep gebeurt in ZAS Augustinus of ZAS Palfijn.

De controles achteraf vinden plaats in ZAS Augustinus, ZAS Cadix, ZAS Middelheim, ZAS Palfijn, ZAS Sint-Jozef, ZAS Vincentius of in de privépraktijk van je uroloog. 

Voorbereiding op een blaasverwijdering

Vragenlijst en onderzoeken 

  • Zodra de ingreep ingepland is, vind je op het patiëntenportaal ‘Mijn ZAS’ een preoperatieve vragenlijst. Vul die zo snel en zo volledig mogelijk in zodat je anesthesist op voorhand alle informatie heeft. Het is belangrijk dat je mogelijke allergieën meedeelt zodat we de nodige preventieve maatregelen kunnen nemen. Voorbeelden zijn latexallergie, contrastallergie, allergie voor bepaalde medicijnen of producten ...
  • Voor je operatie zijn een bloedonderzoek en een elektrocardiogram (ECG) nodig.
  • Je krijgt een uitnodiging voor een gesprek met een van onze anesthesisten.
  • Mogelijk zijn extra onderzoeken nodig.
  • Als je medicijnen (bijv. bloedverdunners) neemt, laten we je weten welke medicijnen je mag blijven nemen en welke je tijdelijk moet stoppen en vanaf wanneer. 

Leefstijlaanpassingen

  • Probeer de periode voor de ingreep zo veel mogelijk in beweging te blijven. Om je fysieke conditie optimaal te krijgen tegen de ingreep, raden we dagelijks minimaal 1 uur beweging of +/- 10.000 stappen aan. Dat zal je herstel nadien aanzienlijk bevorderen.
  • Als je rookt, raden we je aan om 4 weken voor de ingreep te stoppen met roken. Neem zo nodig contact op met je huisarts. Die kan je daarbij begeleiden.
  • Vanaf 4 weken voor de ingreep raden we je aan om geen alcohol te drinken.

Psychologische begeleiding

Voor de operatie leef je vaak in een periode van stress en spanning. Voor sommigen komt de kankerdiagnose vrij plots en onverwacht, anderen worden al langere tijd opgevolgd. Soms zijn er verschillende behandelopties mogelijk en weegt de beslissingsprocedure zwaar.

Als je plots geconfronteerd wordt met de noodzaak van een operatie, kan dat leiden tot een verlies van de vanzelfsprekendheid van het leven en je gezondheid. Je kan je daardoor onzeker voelen, maar ook gespannen, verdrietig, machteloos, boos … Ook piekeren, slapeloosheid en gebrek aan eetlust kunnen voorkomen.

Als je het gevoel hebt dat je er zelf niet uitraakt, kan begeleiding door een psycholoog een uitweg bieden. Vraag aan je uroloog of de oncologisch verpleegkundige bij wie je terechtkan. 

Verloop opname in het ziekenhuis

Avond voor de operatie

  • Meld je op de afgesproken dag rond 17 uur aan via de inschrijvingskiosk in de centrale inkomhal in ZAS Augustinus of ZAS Palfijn. Je hebt daarvoor je identiteitskaart nodig. Je krijgt een volgnummer om naar de opnamedienst te gaan. Zodra je daar ingeschreven bent, volg je de route naar de opnameafdeling.
  • Rond 18 uur krijg je nog een normale maaltijd.
  • Vanaf middernacht moet je nuchter zijn. Dat betekent dat je vanaf middernacht niet meer mag eten, drinken, snoepen en roken. 
  • Het is mogelijk dat je de avond voor en de ochtend van de ingreep wel enkele suikerrijke drankjes krijgt. Die zijn bedoeld om je herstel na de ingreep te bevorderen.
  • De verpleegkundige op de afdeling scheert de operatiestreek (vanaf de tepellijn tot halverwege het dijbeen) en doet de nodige opmetingen voor de anti-trombosekousen die je na de operatie zal dragen.
  • De chirurg of verpleegkundige komt de avond voor de ingreep de plaats van de stoma bepalen. Er wordt een proefzakje met water aangeplakt om te controleren of er geen problemen zijn voor de plaats van de stoma. 

Wat breng je mee naar het ziekenhuis?

  • Je thuismedicatie in de originele verpakking
  • Je identiteitskaart
  • Eventuele verzekeringsdocumenten die de arts moet invullen
  • Comfortabele kleren
  • Kleren om terug naar huis te gaan

    Tip: kies een broek met lage taille  

  • Veilige schoenen of pantoffels
  • Nachtkledij, toilet- en wasgerief
  • Anti-trombosekousen van een eventuele vorige operatie
  • Oplader telefoon
  • Kauwgom voor na de ingreep om de darmtransit te bevorderen

Waardevolle spullen breng je het best niet mee naar het ziekenhuis. 

Ochtend van de operatie

  • Je ochtendmedicatie mag je (op advies van de anesthesist) innemen met een slokje water.
  • Doe eventuele juwelen, piercings, lenzen, tandprothesen en hoorapparaat uit. Verwijder ook eventuele make-up.
  • Trek het operatieschortje aan dat de verpleegkundige je geeft.
  • De verpleegkundige dient je voor je naar de operatiezaal vertrekt de nodige medicatie toe. Vanaf dan moet je in bed blijven.
  • De verpleegkundige brengt je naar de operatiekamer. 

Verloop operatie

  • De anesthesist brengt je onder algemene verdoving.
  • De operatie gebeurt via een 6-tal kleine gaatjes in je buik. Op het einde wordt 1 gaatje groter gemaakt om je blaas en andere organen langs te verwijderen.
  • De arts plaatst een maagsonde: een leiding die via je neus tot in je maag zit. Via die sonde wordt je maaginhoud gedraineerd. Indien mogelijk wordt de maagsonde meteen na de ingreep verwijderd.
  • Tijdens een blaasverwijdering neemt de arts samen met de blaas ook andere organen weg.
    • Bij de vrouw worden in principe de baarmoeder, de eierstokken en het bovenste gedeelte van de vagina mee weggenomen.
    • Bij de man worden de prostaat en de zaadblaasjes mee weggenomen. Soms is het ook nodig om de volledige plasbuis te verwijderen.
  • De arts neemt ook de lymfeklieren in je kleine bekken weg omdat kankercellen hierin kunnen uitzaaien.
  • De arts maakt een urostoma van het laatste stukje dunne darm van ongeveer 15 centimeter. De twee urineleiders worden daaraan vastgemaakt zodat de urine van de nieren afloopt in de stoma. Het stukje darm wordt aan de huid vastgehecht en vormt een uitgang (de stoma) op je buik. Via die stoma zal de urine continu uit je lichaam vloeien en wordt ze opgevangen in een stomazakje dat op je huid kleeft. De stoma wordt in principe altijd aan de rechterkant van de onderbuik aangebracht. Hij is vochtig, rozerood van kleur, steekt 2 tot 3 cm boven de buikwand uit en is gevoelloos.
  • De ingreep duurt gemiddeld 5 tot 7 uur. Soms kan dat langer zijn door bijvoorbeeld verklevingen in de buik van een vorige operatie. 

Verzorging na de operatie

  • Na de ingreep ontwaak je in de ontwaakzaal of op Intensieve zorg. Je wordt in principe een nacht geobserveerd. De ochtend nadien ga je terug naar je kamer. Uitzonderingen zijn hierop mogelijk.
  • Je wordt wakker met verschillende buisjes en slangetjes.
  • We zorgen ervoor dat je geen pijn hebt. Is dat toch het geval? Meld dat dan aan de verpleegkundige.
  • Ter hoogte van je buik en schaamstreek kunnen verschillende drains geplaatst zijn.  
  • Op je buik is er een stomazakje gekleefd waarin er urine afloopt.  
  • Om de nieuwe verbinding tussen je urineleiders en je dunne darm te laten genezen, worden er tijdelijke siliconen buisjes geplaatst. Volgens de voorkeur van de chirurg zitten die buisjes inwendig of uitwendig (tot buiten de stoma). Ze bewaken de afloop van je urine. Verder is er ook een siliconen buisje dat rechtstreeks uit je huid komt. Dat voert wondvocht en oud bloed af. De verpleegkundige controleert die buisjes regelmatig.
  • Zodra je goed wakker bent, krijg je iets te drinken. De volgende dagen kan je weer beginnen eten en drinken. Dat gebeurt volgens een bepaald voedingsschema.
  • Na de operatie kan je door het gebruik van CO2-gas tijdens de operatie tijdelijk last hebben van schouderpijn. Het is belangrijk dat je de eerste dagen na de ingreep een paar keer per uur goed diep in- en uitademt, om je longen goed te ventileren.
  • Om klontervorming in de aders van je onderste ledematen en bekken te voorkomen, krijg je vanaf de avond na de ingreep een inspuiting met een bloedverdunner. Die zal je elke dag krijgen tot 30 dagen na de ingreep. We vragen je om als je in bed ligt, je onderste ledematen goed te bewegen door ze regelmatig op te trekken en je tenen naar je toe te trekken om zo je kuit- en bovenbeenspieren te activeren.
  • Tijdens je verblijf in het ziekenhuis start je onder begeleiding van de stomaverpleegkundige met het aanleren van de stomazorg. Je partner of naasten worden daarbij betrokken. Als je naar huis gaat, krijg je een basispakket stomamateriaal mee en wordt de stomazorg in samenwerking met een thuisverpleegkundige voortgezet. We raden je aan om indien mogelijk zo snel mogelijk de stomazorg zelf aan te leren. Dat zorgt ervoor dat je sneller weer onafhankelijk bent. Lees meer over leven met een urinestoma
  • Meestal blijf je 5 tot 7 dagen in het ziekenhuis. Bij complicaties kan het zijn dat je langer in het ziekenhuis moet blijven. 

Opvolging na je ontslag

  • De wondhaakjes kunnen 12-14 dagen na de ingreep verwijderd worden op de raadpleging Urologie, bij je huisarts of door een thuisverpleegkundige.  
  • De siliconen buisjes in de urineleiders worden meestal na je ontslag uit het ziekenhuis verwijderd. Uitwendige buisjes worden een 10-tal dagen na de ingreep verwijderd. Inwendige buisjes blijven een 3-tal weken ter plaatse en worden verwijderd op de raadpleging Urologie door middel van een kort kijkonderzoek via de stoma.
  • Op het moment dat de siliconen buisjes worden weggehaald, is het verslag van de patholoog meestal al beschikbaar. De uroloog bespreekt dan met jou het resultaat van het weefselonderzoek.
  • 2 tot 4 weken nadat de siliconen buisjes zijn verwijderd, zal je uroloog een controle-echografie van je nieren nemen om na te gaan of de afloop van je nieren bewaard blijft. We vragen om enkele dagen voor die controle via je huisarts een bloedafname te laten doen om je nierfunctie te controleren. 

Aanbevelingen en veelvoorkomende klachten

  • We raden aan om na de operatie zoveel mogelijk uit bed te komen en te bewegen. Je zal daarvoor misschien niet veel zin hebben, maar bewegen heeft veel gunstige voordelen:

    - Je darmen komen sneller op gang.

    - Je longen zetten beter uit, waardoor je makkelijker kan ademen. Zo voorkom je een longontsteking.

    - Je verlaagt het risico op flebitis (ontsteking van een ader vlak onder de huid) en longembolie.

    - Je voelt je sneller beter.

  • Draag tijdens je opname in het ziekenhuis dag en nacht anti-trombosekousen. We raden sterk aan om die anti-trombosekousen tot 30 dagen na de operatie ’s nachts te blijven dragen. Overdag draag je ze tot je meer in beweging bent dan ligt of zit. Neem tot 30 dagen na de ingreep ook een preventieve bloedverdunner.
  • Een goede pijnbehandeling is cruciaal in het herstel na de operatie, neem dus de pijnmedicatie zoals voorgeschreven.
  • Drinken is zeer belangrijk na de operatie. Drink thuis bij voorkeur minstens 2 liter vocht gespreid over de dag.
  • Wat eten betreft is het belangrijk dat je naar je lichaam luistert. Als je geen zin hebt om te eten, dan eet je best niet. Je darmen kunnen namelijk de eerste dagen wat trager werken. Geforceerd eten zal tot misselijkheid en braken leiden. 
  • De eerste stoelgang kan soms tot 5 dagen na de ingreep uitblijven. De eerste weken na de operatie kunnen er periodes zijn van afwisselend diarree en obstipatie. Een gevarieerde voeding en voldoende vochtinname zijn zeer belangrijk.
  • Enkele dagen na de ingreep kunnen er ter hoogte van je genitaliën of flanken grote pijnloze blauwe plekken ontstaan. Die verdwijnen na een tijdje spontaan.
  • Een beperkte temperatuursverhoging zonder klachten van onwelzijn, kan normaal zijn door opname van achtergebleven bloed in het operatiegebied.
  • Verbanden moet je niet vervangen tenzij ze vuil zijn of loskomen. Als ze waterafstotend zijn, mag je ermee douchen.
  • Relatieve rust: bouw na je thuiskomt inspanningen geleidelijk op en vermijd om hele dagen in bed te liggen. Vermijd zware inspanningen en seksueel contact de eerste 6 weken na de ingreep. Vermijd fietsen de eerste 3 maanden na de ingreep.
  • Na een blaasverwijdering moet je nog een hele tijd herstellen. Zowel op lichamelijk als op mentaal vlak vraagt dat een hele aanpassing want je wordt geconfronteerd met belangrijke verlieservaringen op vlak van je gezondheid en je lichaamsbeeld. Het is normaal dat je tijd nodig hebt voor de verwerking van de ingreep en de ziekte. Als je het gevoel hebt dat je er zelf niet uitraakt, kan begeleiding door een psycholoog een uitweg bieden. Vraag aan je uroloog of de oncologisch verpleegkundige bij wie je terechtkan. 

Seksualiteit en vruchtbaarheid

Seksualiteit en vruchtbaarheid bij de man na een blaasverwijdering

Bij mannen wordt de prostaat mee weggenomen. Daardoor kan de ingreep een belangrijke impact hebben op je seksualiteit en vruchtbaarheid. Dat kan voor jou en je partner psychologisch zwaar zijn. Als een van jullie beiden daar nood aan heeft, kan je een gesprek met een seksuoloog of psycholoog vragen. 

De zenuwbundels die verantwoordelijk zijn voor de erecties liggen achter en vlak tegen de prostaat aan. Afhankelijk van de grootte en agressiviteit van de blaastumor kan de chirurg proberen om 1 of beide zenuwbundels te sparen. Dat biedt echter geen garantie dat de erecties na de operatie terugkomen of van dezelfde kwaliteit zullen zijn. Veel hangt ook af van de kwaliteit van de erecties voor de ingreep. Het herstel van een zenuw kan soms tot 3 jaar duren en soms treedt jammer genoeg geen herstel op. 

Als er 1 of 2 erectiezenuwen gespaard werden, raden we aan om redelijk snel na de operatie te starten met erectiestimulerende middelen. Dat is meestal een dagelijkse dosis Tadalafil 5 mg, maar er zijn ook alternatieven mogelijk. Het doel is om voornamelijk nachtelijke erecties te stimuleren.

Naast de medicatie kan eventueel 4 tot 6 weken na de ingreep ook gestart worden met een vacuüm erectiepomp. Je kan dan een erectie opwekken door een vacuüm op de penis toe te passen. We raden dat 3 tot 5 keer per week aan gedurende 10-15 minuten, zonder de klassiek afsnoerende ring.

Als er geen erectiezenuwen gespaard werden of er geen gunstig herstel is na zenuwsparing, wordt er 3 maanden na de ingreep, als je dat wenst, gestart met injecties rechtstreeks in de penis. Die geven een lokaal hormonaal signaal en overbruggen dus de zenuwen om een erectie te krijgen.

Als de injecties onvoldoende werken, kan een penisprothese overwogen worden.

Het orgasme hoeft na de operatie niet verdwenen te zijn. Soms voelt het iets anders aan dan je gewend was. In zeldzame gevallen kan je bij opwinding wat druppelverlies ervaren. 

De prostaat produceert het zaadvocht, de teelballen produceren de zaadcellen. Bij een zaadlozing wordt het zaadvocht met de zaadcellen naar buiten gedreven. Na een blaasverwijdering heb je geen zaadlozing meer omdat je prostaat is weggenomen en de zaadleiders losgekoppeld en afgebonden zijn.

Omdat er geen zaadlozing meer is, ben je niet meer in staat om op een natuurlijke manier kinderen te verwekken. Heb je nog een kinderwens, bespreek dat dan voor de ingreep met je uroloog. Er bestaan verschillende technieken om voor en na de ingreep zaadcellen te verzamelen en te bewaren.

Lees meer over de mogelijkheden om je vruchtbaarheid te beschermen voor een kankerbehandeling.

Seksualiteit en vruchtbaarheid bij de vrouw na een blaasverwijdering

Bij vrouwen worden in principe de baarmoeder, de eierstokken en voorste vaginawand mee weggenomen. Daardoor kan de ingreep een belangrijke impact hebben op je seksualiteit en vruchtbaarheid. Door de kanker zelf, de behandeling en de lichamelijke veranderingen kan je minder zin hebben in seksuele betrekkingen.

Open communiceren met je arts en je partner, alternatieve seksuele activiteiten verkennen en de hulp inroepen van een seksuoloog of psycholoog, kunnen helpen om daarmee om te gaan.

Afhankelijk van de uitgebreidheid en plaats van de blaaskanker kan overwogen worden om de vrouwelijke geslachtsorganen te sparen om de negatieve seksuele gevolgen te vermijden.  

Als de voorwand van de vagina wordt verwijderd, leidt dat tot een kortere en/of nauwere vagina. Door zenuwschade is de vagina vaak minder vochtig en kunnen er gevoelsstoornissen optreden waardoor een orgasme moeilijker wordt. De verkorting en littekenvorming in de vagina kunnen geslachtsgemeenschap pijnlijk maken, en in sommige gevallen zelfs onmogelijk. De ingrijpende veranderingen kunnen leiden tot een veranderd lichaamsbeeld en minder zelfvertrouwen, wat de seksuele beleving kan verstoren. 

Als de baarmoeder en eierstokken worden verwijderd, kom je vervroegd in de menopauze (indien nog niet in de menopauze). Dat leidt tot onvruchtbaarheid en symptomen zoals opvliegers. Heb je nog een kinderwens, bespreek dat dan voor de ingreep met je uroloog. 

Lees meer over de mogelijkheden om je vruchtbaarheid te beschermen voor een kankerbehandeling.

Mogelijke complicaties

In de meeste gevallen verloopt het herstel na de operatie vlot. Gezien de uitgebreidheid van de ingreep en vaak bijkomende andere gezondheidsproblemen ontwikkelt 30 tot 50% van de patiënten na de operatie toch een of ander complicatie. Die zijn meestal niet ernstig.

We doen er alles aan om die complicaties te voorkomen en zo nodig te behandelen. Het vergt soms geduld om door de gevolgen van de complicatie heen te komen. Het is dan ook heel belangrijk om de moed niet te verliezen en goed de aanbevelingen van de artsen en andere zorgverleners (verpleegkundige, kinesist, diëtist ...) te volgen.

Voor al deze complicaties geldt dat je ze kan krijgen, maar niet hoeft te krijgen. Ze kunnen optreden tijdens of na je opname in het ziekenhuis. 

Veelvoorkomende complicaties

Voor de operatie is een stuk van je dunne darm gebruikt. De darm wordt nadien terug aan elkaar gehecht zodat het voedsel de normale weg kan volgen. Een tijdelijke verstopping door verlamming van de darmen (paralytisch ileus) in de eerste dagen na de operatie is mogelijk. Dat gaat gepaard met misselijkheid, braken en een opgezette, soms pijnlijke buik. Bij braken kan het zijn dat de arts beslist om opnieuw een maagsonde te plaatsen om de druk op het systeem te verlichten. Indiennodig wordt extra voeding opgestart via het infuus. Na enkele dagen herneemt de darmtransit meestal vanzelf en kan de maagsonde weer verwijderd worden. Daarna kan je opnieuw beginnen eten en drinken. Sommige zaken zoals zwarte koffie en kauwgom kunnen het risico op deze complicatie verminderen doordat ze het herstel van de darmtransit stimuleren. Daarom adviseren we om een pakje kauwgom mee te nemen naar het ziekenhuis om te gebruiken na de ingreep. 

Vochtopstapeling in je gelaat, ledematen of schaamstreek is normaal na de operatie. Dat kan een gevolg zijn van je positionering tijdens de ingreep en de verwijdering van lymfeklieren in je kleine bekken. Het kan helpen om steunkousen te dragen of je voeten omhoog te leggen. 

De verbinding tussen de urineleiders en een stuk dunne darm en de aanwezigheid van vreemd materiaal (de siliconen buisjes) die in de urinewegen zitten en contact hebben met de buitenwereld, verhogen het risico op een urineweginfectie in de vorm van een nierbekkenontsteking. Die wordt behandeld met antibiotica en kan mogelijk leiden tot een verlenging van je opname of een heropname. Je lichaam moet wennen aan het nieuwe normaal. Het risico op deze urineweginfectie neemt significant af vanaf 3 maanden na de ingreep. 

Zeldzamere complicaties

Complicaties aan de wondjes kunnen onder andere bestaan uit infecties en vochtophopingen in het operatiegebied. Soms zijn een behandeling met antibiotica of vochtevacuatie nodig. 

Elke ingreep in het kleine bekken kan aanleiding geven tot stolsels (trombose) in de diepe bloedvaten van je onderbeen. Je kan dat voorkomen met anti-trombosekousen

De verwijdering van lymfeklieren in je kleine bekken kan ook gevolgen hebben. Soms kunnen de lymfevaten daarna nog wat blijven nasijpelen. Dat kan het gevoel van een gezwollen buik geven. Dat verdwijnt meestal binnen de 3 maanden na de ingreep. Deze sijpelende lymfevaten kunnen ook zeldzaam een cyste (lymfocoele) vormen. De cyste kan dan op omliggende structuren een druk uitoefenen en verschillende klachten geven. Als de cyste verwijderd wordt, dan verdwijnen de klachten. 

Tijdens de operatie worden je urineleiders met een stukje dunne darm verbonden. Soms is die verbinding niet volledig waterdicht. Meestal volstaat het om de siliconen buisjes in de stoma en de buikholte gedurende een langere tijd ter plaatse te laten om de nieuwe verbinding de tijd te geven zich volledig te sluiten. Een nieuwe ingreep is zelden nodig. 

Aangezien er tijdens de ingreep een stuk dunne darm wordt gebruikt om de stoma aan te leggen, moeten beide uiteinden van de dunne darm terug aan elkaar vastgemaakt worden. Daardoor bestaat een kleine kans dat er een lekkage ontstaat van deze verbinding en is het soms noodzakelijk om antibiotica te nemen. Een nieuwe ingreep is zelden nodig. 

In sommige gevallen kan er door de vorming van overmatig littekenweefsel een vernauwing ontstaan ter hoogte van de nieuwe verbinding. Sommige factoren kunnen dat risico beïnvloeden, zoals voorafgaande bestraling van het bekken en slechte doorbloeding van de urineleiders. Door de vernauwing kan de afloop van één of beide nieren verstoord zijn waardoor ze onder druk komen te staan. Dat kan gepaard gaan met pijn in de nierstreek en/of achteruitgang van de nierfunctie. Indien nodig zal de uroloog de uitgezette nier ontlasten door een stent in de urineleider of een drain in de nier te plaatsen.

Laatst bijgewerkt op 01/07/2026
1 - 2 van 2